Allergie 2/5

ONTWIKKELING VAN EEN ALLERGIE

Een allergie is een overreactie van het afweersysteem. Een normale afweerreactie ontstaat bijvoorbeeld wanneer een bacterie ons lichaam binnenkomt via een open wond. De witte bloedlichaampjes en de stoffen die door deze cellen worden gemaakt zullen de binnengedrongen bacterie eerst als een ongewenst eiwit moeten herkennen. Het vreemde eiwit zal zich moeten onderscheiden van de eiwitten die het lichaam zelf maakt. Het lichaamsvreemde eiwit wordt antigeen genoemd.

Er zijn verschillende cellen in ons lichaam die antigenen kunnen afweren. De wetenschap spreekt onder andere van lymfocyten en macrofagen. B-lymfocyten produceren antistoffen die zich aan het antigeen (het vreemde eiwit) binden, waarna deze kan worden weggewerkt. Van de antistoffen die het B-lymfocyt aanmaakt, is IgE de belangrijkste als het om allergieën gaat.

Een aparte groep “afweercellen” vormen de zogenaamde mestcellen. Ze komen in het hele lichaam voor, maar vooral op plaatsen waar contact met de buitenwereld bestaat zoals de neus, de longen of de huid. Mestcellen bevatten een grote hoeveelheid stoffen. Er is nog weinig bekend over deze stoffen die zeer uiteenlopende reacties kunnen veroorzaken en ook wel mediatoren worden genoemd. De mediator histamine is het eerst ontdekt en krijgt daarom veel aandacht.

Normaal gesproken werken antistoffen en mestcellen netjes samen in het afweren van lichaamsvreemde stoffen (antigenen). Mensen met een allergische aanleg ontwikkelen echter veel van het antistof IgE. Als zulke mensen in contact komen met allergenen (antigenen die een specifieke allergische reactie veroorzaken), dan bindt het IgE dat reeds gebonden is aan het membraan van de mestcel, zich aan deze allergenen. De mestcel reageert hierop door open te barsten en mediatoren uit te stoten. De mediatoren, waaronder histamine, zorgen voor de allergische reactie.

Van histamine is bekend dat het invloed heeft op de bloedvaten en de onwillekeurige spieren. Histamine zorgt voor een verwijding van de bloedvaten, waardoor er meer bloed kan worden vervoerd en de bloedvatwand dunner wordt, zodat deze makkelijker vocht doorlaat. Het effect van histamine kan een rode en gezwollen huid, benauwdheid, een verstopte neus, jeuk etc. zijn.

Er is slechts één effectieve behandeling die de oorzaak van een allergie aanpakt (hyposensibilisatie). Wel zijn de klachten soms vrij goed te onderdrukken. Wanneer iemand alleen allergische klachten heeft door het vrijkomen van histamine, dan kan een geneesmiddel worden gebruikt dat voorkomt dat de mestcel histamine afgeeft of dat het histamine werkzaam wordt. Histamine is echter niet de enige mediator.

SOORTEN ALLERGIE

De wetenschap onderscheidt vier typen allergische reacties die overigens ook in combinatie voorkomen.

Type 1: onmiddellijke reactie
In dit geval volgt er een allergische reactie binnen enkele seconden tot hooguit een uur. Er is vrijwel altijd sprake van een situatie zoals hiervoor geschetst, waarbij een antigeen zich bindt aan de op de mestcelwand aanwezige antistof IgE, waarop de cel reageert en daarna mediatoren afgeeft. Inhalatie-allergieën, allergieën voor bijegif, geneesmiddelenallergie en veel voedselallergieën vallen onder het onmiddellijke type. De allergische reactie uit zich voornamelijk in rhinitis (jeuk in de neus, niezen, loopneus en verstopping), conjunctivitis (jeuk, tranen en roodheid van het bindvlies van de ogen en oogleden), astmatische klachten, jeuk en in enkele gevallen shock.

Type 2: cytotoxische reactie
In het geval van een cytotoxische reactie bindt een antistof, IgG of IgM, zich aan een celgebonden antigeen. De antistoffen vernietigen de cel. Het is niet bekend hoelang na het contact met een allergeen het duurt voordat er een allergische reactie ontstaat. De voornaamste uitingsvormen zijn bloedingen in de huid, het afsterven van de opperhuid en een chronische ontsteking van de darmen.

Type 3: immuuncomplextype
Dit type kan worden onderverdeeld in lokale en algemene reacties waarbij steeds de vorming van antilichamen (IgG of IgM) tegen (bijvoorbeeld oplosbare) eiwitten optreedt. Er wordt een complex tussen antilichamen en eiwit gevormd. Bij het lokale type ontstaat er na het contact met het eiwit een antilichaam-eiwitcomplex dat na 4-8 uur tot een plaatselijke ontstekingsreactie kan leiden (bijvoorbeeld boerenlong of duivenmelkerslong). Reacties van het algemene type kunnen ongeveer 8 dagen na herhaalde inspuiting met bloedpreparaten (van dierlijke oorsprong) ontstaan. Ook kunnen antigeen-antilichaamcomplexen worden gevormd indien de eiwitten door een zieke nier onvoldoende uit het bloed worden gehaald. Botontstekingen kunnen het gevolg zijn.

Type 4: vertraagd type
Dit allergietype wordt veroorzaakt door specifieke T-lymfocyten. Uit deze cellen worden stoffen (lymfokines) vrijgemaakt die direct of indirect een reactie veroorzaken. Bij het vertraagde type komt het allergeen van buitenaf en reageert het met een door regelmatig contact langzaam gevoelig geworden cel. De lymfokines veroorzaken samen met het allergeen (bijvoorbeeld nikkel) allergische reacties (eczeem, vlekken en puisten op de huid) die 12 uur tot 3 dagen na het contact ontstaan. Contactallergieën veroorzaakt door bijvoorbeeld nikkel en chemische toevoegingen behoren tot dit vertraagde type.

Bovenstaande type-indeling is gemaakt door P.G.A. Gell en R.A. Coombs. In de huisartsenpraktijk wordt ze weinig gebruikt. Toch maakt het onderscheid goed duidelijk dat hooikoorts en astma (inhalatie-allergieën) wezenlijk anders zijn dan een allergie voor nikkel en chroom of bakkerseczeem. Laatstgenoemde allergieën behoren tot de contactallergieen en dienen als zodanig anders te worden behandeld.

CONSTATEREN VAN EEN ALLERGIE

Er zijn verschillende methoden om vast te stellen of en voor welk allergeen iemand allergisch is. Allereerst is er de klacht. Wanneer de huisarts wordt bezocht, zal deze aan de hand van zijn of haar archief de ziektegeschiedenis van de patiënt(e) bekijken. Tijdens het gesprek kan al blijken waarvoor de patiënt(e) allergisch is, bijvoorbeeld wanneer de klacht alleen in de zomermaanden voorkomt (bij hooikoorts). In sommige gevallen zal de huisarts een uitgebreid lichamelijk onderzoek doen.
Wanneer het vermoeden bestaat dat de klacht het gevolg is van een allergie, kan een zogenaamde provocatietest plaatsvinden bij een specialist. Tijdens een dergelijke test wordt de patiënt(e) in contact gebracht met verschillende allergenen, bijvoorbeeld door deze in de huid in te spuiten. Bij het allergeen waarvoor de patiënt(e) gevoelig is, zal de huid vaak met een rode zwelling reageren op de plaats waar het allergeen is ingebracht. Allergie kan ook worden vastgesteld door de slijmvliezen van de longen, neus en ogen te prikkelen met verdachte allergenen. Naast een provocatietest kan een allergische gevoeligheid worden aangetoond door middel van een bloedonderzoek.

<< Lees vorige Lees volgende >>

Print deze pagina
Bovenstaand bericht is geschreven op 14 augustus 2011 door in de categorie 2011, Oudedoos

Vorige en volgende berichten

« Ouder: Nieuwer: »

Comments are closed.




Een willekeurig bericht

Ik schrijf op deze site over allerlei onderwerpen. Soms is het heel persoonlijk, soms vooral informatief of beschouwend. Hieronder een willekeurig bericht uit ruim 1500 berichten.