Dieventaal

Dieventaal, leuk en handig

Kort na het begin van de twintigste eeuw schieten speelhuizen als paddenstoelen uit de grond. Vooral in Amsterdam. Rechtsverslagen in kranten staan vol nieuwe woorden uit de dieventaal. Die woorden geven de verhalen een lokale kleur (couleur locale). Een van die woorden is het woord ‘gokken’.

Dat woord is handig in dit tijd. Want het Nederlands kent nog geen woord die de handeling weergeeft. De handeling van spelen om grof geld. Gokken wordt in die tijd ook gebruikt als beursterm en in relatie tot gewaagde speculaties.

Dieventaal

Hoe dringt zo’n woord vanuit de dieventaal in andere kringen door? In het geval van het woord gokken, komt het zoals gezegd omdat het specifieke woord handig is als omschrijving van iets waar nog geen woord voor is.

In het algemeen geldt dat het slangwoord kernachtig een begrip uitdrukt. Het nieuwe bekoort. Schooljongens, soldaten en anderen nemen het graag over om er goede sier mee te maken.

Joodse en Bargoense termen

Vanaf de laatste jaren van de 19e eeuw komen er veel Joodse en Bargoense termen in de spreektaal. Het is een tijd waarin men zoekt naar taalvernieuwing. Nieuwe termen zijn daarbij zeer welkom. Joodse woorden als goochem, sjofel, sjacheren, koosjer komen in omloop. In boeken plaatsen schrijvers daarbij vaak verklarende voetnoten op de bladzijde.

De Nederlandse dieventaal heeft dan al een langere geschiedenis. Zelfs zonder dat de penoze daar zelf kennis van heeft. In het voorwoord van de vertaling het boek ‘Les Mystère de Paris’ (De verborgenheden van Parijs uit 1844) van Eugene Suë staat: Wij, Hollanders kennen geen dieventaal: het schijnt dat de bevolking van onzer gevangenissen en tuchthuizen niet zo dichterlijk, zo vol verbeeldingskracht is

Weerlegging

Mr. G.F. Vernéé vertaalt het boek van het Franse bargoens in Nederlandse dieventaal. Daarmee toont hij aan dat Nederland wel degelijk een dieventaal heeft. Seligmann Susan, lector nieuwe talen en letterkunde, bevestigt het in zijn ‘Proeve van vergelijking tussen het Bargoens en hét Patois-Hebreeuws’ (beide rond 1845).

Kort na de vertaling van het boek van Eugène Suë verschijnt ‘Verborgenheden van Amsterdam’. Daarin gebruikt Jan David de Vries, onder het pseudoniem L. Eikenhorst, tal van Bargoense termen. De vier delen worden met grote belangstelling ontvangen; de bevolking is geïnteresseerd in die geheimzinnige taal.

Poëtisch

De dieventaal komt immers, veronderstellen zij, van poëtische vagebonden. Boefjes die hun gedachten even schilderachtig in lompen weten te kleden als hun lichamen. Die boefjes wonen dan al lang niet meer in hun ondergrondse holen. Ze bewegen zich redelijk vrij tussen hun medemensen. Van het geheimzinnige, de oude romantiek, is geleidelijk al weinig meer over.

Het Bargoens is een taal geworden als een lappendeken, samengesteld uit lapjes van allerlei kleur en vorm. Ladenlichters, lood- en koperdieven, flessentrekkers en inbrekers hebben allen een taal nodig die de buitenwacht niet verstaat, de dieventaal. In de taal van nieuwe, uit het buitenland gekomen bewoners, met hun afwijkende woordenschat, vinden zij daarvoor handige oorsprong.

Kale, opscheppnde armoedzaaier

Een kale man heet in de 19e eeuw een ‘halfblanksheer’, eigenlijk iemand met weinig geld op zak. Later verandert dat in ‘armoedzaaier’. Rond dat woord hangt de bijgedachte van koude drukte, wat ze in Amsterdam een ‘opschepper noemen en in het Zaans een ‘beenophipper (kale pronker).

Rond 1915 wordt het ‘dallesdekker’, een kledingstuk om armoedige onderkleding te bedekken. Het komt uit het Franse cache-misère. En bijvoorbeeld in de provincie Groningen gebruikt men ‘schanddekker’.

Dalles en dalven

In Amsterdam is het dus Dallesdekker. Dat komt vanuit het Hebreeuwse woord Dalles dat armoede betekent, van Dal (arm). Er zijn uitdrukkingen als ‘hij heb de dalles’ (hij is aan lager wal), hij krijgt een dalles (wint niets, in de loterij bijvoorbeeld). Een opschepper die niets bezit noemen ze Baron van Dalleshausen.

Vanuit dal wordt het werkwoord ‘dalven’ gangbaar voor schooien en zwerven. En een dalver is een zwerver, bedelaar en landloper. De boefjes nemen meer woorden over uit het Jiddisch en Heebreeuws. De dalver heeft geen geld om een neutje te kopen. Hij drinkt een jajempje (slokje) op de dalf (gebedeld) van een ander. Andere woorden uit die tijd zijn: Mesjokke (gek), achelen (eten), moos (geld) schlemiel (stakker)

Bargoens woordenboek

In 1906 verschijnt het zakwoordenboekje ‘Het Bargoens’. In dit boekje van Willem L.H. Köster Henke staan talrijke voorbeelden van oorspronkelijk Heebreeuwse woorden. Veel van de termen uit de dieventaal geven dan in Nederland nog aanleiding tot etymologische bokkensprongen. Men wil immers de eigen taal verklaren.

Een tiental jaren later wordt de woordverklaring bevredigender opgepakt door bijvoorbeeld Voorzanger en Polak. Van hen verschijnt in 1915 het boekje ‘Het joods in Nederland’. Zij beschrijven daarin aan het Heebreeuws en andere talen ontleende woorden en uitdrukkingen.

Eerder al, in 1901, heeft Friedrich Kluge een bijdrage gegeven tot begrip. Hij schrijft het boek ‘Rotwelsch’. De ondertitel luidt: ‘Quellen und Wortschatz der Gaundersprache und der verwandten Geheimsprachen’ (Bronnen en woordenschat van dieventaal en gerelateerde geheime talen).

Zigeuners en reizende kooplieden

De dieventaal is nauw verwant aan de kramertaal. Dat is de taal van reizende kooplieden. Die taal komt nauwelijks uit het jiddisch. Kramertaal is vaak een combinatie van woorden uit dieventaal en oude, bestaande woorden. Ook zigeunerwoorden worden erin herkend.

Met name Friedrich Kluge vermeldt in zijn boek veel zogenaamde kramerslatijn. Twee jaar na zijn boek verschijnt, mogelijk geïnspireerd door het boek van Kluge, een boekje van Hans Stumme. Stumme schrijft in 1903 ‘Uber die Deutsche Gaunersprache und andere geheimsprachen’.

De beeldende dieventaal

Het Bargoens bevat verder veel beeldende woorden en plastische uitdrukkingen. Bijvoorbeeld zitterik (stoel), hoogerik (zolder), dieperik (kelder), mauwerik (kat) en vliegerik (vogel). Het zijn woorden die, heel gebruikelijk bij dieventaal, naar één model zijn geknipt.

Zoals ook in schragen (benen), luisterlap (oor), huidje of velletje (jas), knappert (pistool), huishouder (tang), fok (bril), kopzorg (getob, vgl. hartzeer). Gras heet een groene deken. Een horloge met ketting is een tik met bengel en water en melk in de gevangenis treiterchocolade.

Meer informatie

De afbeelding in de header is waarschijnlijk van Thomas Rowlandson, een van mijn favoriete illustratoren uit de 18-19e eeuw.

Print deze pagina
Bovenstaand bericht is geschreven op 10 oktober 2019 door in de categorie 2019, Algemeen

Een willekeurig bericht

Ik schrijf op deze site over allerlei onderwerpen. Soms is het heel persoonlijk, soms vooral informatief of beschouwend. Hieronder een willekeurig bericht uit ruim 2000 berichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code