Strontje op mijn ooglid

Strontje op mijn ooglid. Ik heb ook eens wat.

‘Dat is een strontje’, vertelt Carla me als ik jammer over het bobbeltje onder mijn oog.

‘Ik heb nooit iets. Een wratje, een verkoudheidje en natuurlijk een kromme neus van de elleboog die ik er op mijn 16de tijdens voetballen tegenaan kreeg. En nu zo’n bobbeltje. Een strontje zeg je’.

‘Ja, dat noemen ze een strontje. Niks bijzonders hoor. Als je er vanaf blijft is het met een paar dagen weg’.

‘Ik wreef vanmorgen onder mijn oog’, jammer ik verder. ‘Ik voelde ineens mijn ogen prikken. Alsof er zeep in was gekomen, maar ik had geen zeep gebruikt. Kort daarna zat dat ding daar, ik voelde het met het knipperen van mijn ogen’.

‘Zie je wel, zeker een strontje’, reageert Carla. ‘Bacteriën die in een talg- of zweetkliertje komen. Daardoor raakt de porie van zo’n kliertje verstopt en krijg je een ontsteking’.

‘Bacteriën gadver. Goede bacteriën vind ik een zegen, maar de foute die strontjes veroorzaken heb ik liever niet’.

‘Stel je niet aan. Wat je kunt doen om de genezing te versnellen is af en toe een warme, bijna hete washand op je oog leggen. Een kwartiertje. Dan breekt het puistje, wat zo’n strontje in feite is, sneller open en kan de pus eruit’.

‘Pus, nog een keer gadver’.

Het woord strontje (1)

Vanzelfsprekend ben ik benieuwd waarom zo’n ontsteking een strontje wordt genoemd. Het blijkt ingeburgerde spreektaal in grote delen van Nederland. Maar er zijn gebieden waar het anders wordt genoemd, bijvoorbeeld paddenpisser, wegenscheet of stiegje. En die laatste blijkt het oudst. Die benaming, of een vervoeging daarvan, gebruikten ze mogelijk in de late middeleeuwen al voor de ontsteking op het ooglid. Het strontje komt pas veel later in teksten voor.

In de vierde jaargang van de Taalgids, in 1862, schrijft Willem Bisschop over bijdragen aan de kennis van Nederlandse dialecten door het stadsdialect van Dordrecht, het Dordts. Hij gebruikt daarin de woorden weegscheet en strontje:

Weegscheet, of gelijk met elders zegt strontje, is de minder kiesche benaming die men hier ter stede bezigt voor een puistje, een zweertje aan de oogleden.

Twee jaar later nemen de gebroeders Isaac en Nathan Calisch het woord Weegscheet op in hun Nieuw woordenboek der Nederlandse taal:

WEEGSCHEET, m. (…eten), zweertje op het ooglid, strontje

Ook nog even leuk om nog te noemen is de Vroege Afrikaanse Woordenlijst van Arnold Pannevis uit 1880. Daarin staat dat het Afrikaanse woord voor het zweertje Karkatje is.

In een tekst uit 1883 over de invloed van chirugijn Jan Yperman (1260 – ca 1330) op onze taal gaat het onder andere over zwerend vlees. Het gaat dan over ‘wye vleesch’, wild vlees van opgezwollen ogen. Yperman schrijft ‘Dese zweren siin al vol geuulcereert, dats quaet vul wey vleesch’ en later ‘vol quaet wege vleesch’. Bij dat laatste zoekt de schrijver verwante vormen in andere germaanse talen en denkt dat mogelijk te hebben gevonden in ‘het znw. weeg, een weegje op het oog, dat hier en daar in dialekten in gebruik is voor hetgeen gewoonlijk een scheetje of een strontje genoemd wordt’.

Het woord strontje (2)

Met bovenstaand heb ik nog niets gezegd over de oorsprong van het woord strontje. In kringen van etymologen komt daar ook geen echt antwoord op. Deze naar woord-oorsprong zoekende taalkundigen verwijzen naar stiegje. Maar daar kan ik geen strontje in ontdekken. Dus doe ik zelf een gooi naar de achtergrond van het woord strontje.

Bij stront denken wij in het algemeen direct aan vaste uitwerpselen, wat deftiger fecaliën of feces genoemd. Maar er is ook nog stront, als verbastering van astrant. Dat woord stront kennen we als voorvoegsel bij woorden als stronteigenwijs. Het is een verbastering, een woord dat geleidelijk een andere vorm krijgt, waarbij vaak de oorspronkelijke betekenis verloren is gegaan.

Stront is een verbastering van het woord astrant, dat zelf een leenwoord is van het Franse woord assurant. In de Franse tijd, rond 1800, kwamen Franse woorden in onze taal. Geleidelijk vernederlansden mensen die woorden. Zo werd halverwege de 19e eeuw het Franse woord assurant (zelfverzekerd) tot het Nederlandse astrant (vrijpostig, brutaal).

Geleidelijk liet men de a vallen en werd het stront. En dan denk ik, dat vrijpostige zweertje dat zo brutaal op mijn ooglid gaat zitten, verkleinden ze natuurlijk naar strontje.

Hordeolum

Artsen noemen de ontsteking bij het oog hordeolum. Ze onderscheiden een uitwendige vorm, de hordeolum externum, en een inwendige vorm, de hordeolum internum. De laatste ligt onder het ooglid. Het strontje behoort tot de uitwendige ontstekingen.

Oogartsen onderscheiden allerlei typen ontstekingen, en bultjes die vanuit andere oorzaak ontstaan. Sommige daarvan lijken op mijn strontje. Als ik dan lees over leegdrukken van de gezwollen klier en insnijden van het ooglid, ga ik er snel vanuit dat mijn zweertje een strontje is.

Die mag je niet leegdrukken, die moet uitdrogen. Ik leg eerst maar even een kwartier een warme, bijna hete washand op mijn oog.

Aanvullende informatie:

  • Johan of Jan Yperman was een Vlaamse chirurgijn en de eerste die in het Nederlands over medische zaken schreef. Uit zijn brieven, geschreven rond 1300, is in 1912 het boek ‘De Chyrurgie’ samengesteld (PDF - 21 MB, 22 mb). Op bladzijde 93 gaat het over het wilde vlees op het ooglid.
  • De tekst over de invloed van Jan Yperman op de Nederlandse taal vond ik in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, de derde jaargang in 1883.
  • Een interessante pagina over de werking van het oog vond ik op de website oogartsen.nl, ‘bouw, werking en functie van het oog
  • Lees ook het bericht ‘iemand in de ogen zien‘ of ‘Mooie ogen
Print deze pagina
Bovenstaand bericht is geschreven op 24 november 2020 door in de categorie 2020, Algemeen

Een willekeurig bericht

Ik schrijf op deze site over allerlei onderwerpen. Soms is het heel persoonlijk, soms vooral informatief of beschouwend. Hieronder een willekeurig bericht uit ruim 2000 berichten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code