Maisstengels

Er zijn elke dag zoveel onderwerpen die me interesseren, waarover ik me verwonder en waarover ik een verhaaltje zou kunnen of willen schrijven. Ik moet elke keer weer kiezen tussen een hobby-achtig onderwerp, zoals de kunst van potloodschaafsels, een serieuzer onderwerp, zoals spelletje Utrechts, persoonlijk onderwerp als de achteruitgang van mijn vader, of een onderwerp dat in relatie staat tot mijn werk, zoals marketingonzin of de voordelen van kunst.

Dit bericht heeft een beetje van alles.

Laat ik luchtig beginnen.

Ik had ooit een vriendin die in Utrecht studeerde en woonde. Maar regelmatig reden we naar haar ouders in de achterhoek. Voor haar ouderlijk huis was een enorm maisveld. Regelmatig staken we de weg over om enkele maiskolven te ‘jatten’. Die kloven we dan uit de hand of brachten het naar haar moeder. Zij had diverse recepten met mais verzameld en zelf bedacht. Ik kan me daarvan weinig herinneren. Ik weet alleen dat sommige gerechten warm waren en andere koud. En dat sommige gerechten enige bereidingstijd nodig hadden, maar dat andere in een mum van tijd op tafel stonden. Van die laatste herinner ik me een eenvoudige, frisse salade met in ieder geval drie ingrediënten waarbij het water me nu nog in de mond loopt, mais, appelstukjes en rozijnen. Ik zie daarbij ook een groente die er uitziet als prei, maar het kan evengoed een andere groente zijn geweest.

Veel later, enkele vriendinnen verder,  hoorde ik dat mais in Amerika wordt gebruikt om koeien vet te mesten. Vanaf dat moment werd ik voorzichtiger met mais. Als ze op mijn bord lagen at ik ze wel, maar dan moesten het er niet te veel zijn. Gelukkig hoorde ik op een gegeven moment, toen ik het vet mesten een keer ter sprake bracht, dat er twee soorten mais zijn. Je raadt het al, één om koeien vet te mesten en één voor menselijke consumptie.

Een maand geleden was ik weer in de achterhoek. Bij Winterswijk reed ik langs een maisveld. Alle mais zag er voor mij hetzelfde uit. Maar op de bordjes aan de kant van de weg stonden de namen van de verschillende soorten. Het bleek een maiszadenbedrijf. Ik stopte de auto en belde aan. Om het lange verhaal van de eigenaar kort te maken: er zijn talrijke maissoorten, diverse om te eten, maar ook om koeien vet te mesten en zelfs soorten om brandstof van te maken (biobrandstof). Sommige maissoorten zijn natuurlijk, andere zijn genetisch gemodificeerd. En mais is geen groente, maar een graansoort die behoort tot de grassen. Lees Mijn receptenboek voor meer leuke informatie over Mais en maisrecepten.

Serieus

Green wall, illustratie door Parallelalee

Half september kwamen enkele Franse wetenschappers in het nieuws met hun onderzoek naar gemodificeerd mais. Ze hadden verschillende groepen ratten twee jaar lang, de gemiddelde levensduur van een rat, mais gevoerd. De ene groep kreeg gewone mais en schoon drinkwater, een andere  groep kreeg gemodificeerde mais en water dat besmet was met een wisselende hoeveelheid RoundUp, een veelgebruikte onkruidverdelger bij maisteelt. Weer een andere groep ratten kreeg gemodificeerde mais en besmet drinkwater. Zo waren er nog enkele groepen ratten.

De uiteindelijke conclusie was dat de ratten die gemodificeerde mais hadden gekregen veel eerder stierven, meer nier- en leverproblemen kregen en vaker tumoren ontwikkelden. Daarmee stond het onderwerp kanker en genetisch gemodificeerd mais (gen-mais) weer op de wetenschappelijke agenda.

Sommige wetenschappers roemden het onderzoek. Het was een lang onderzoek, normaal mag een onderzoek bij biotechnische bedrijven maximaal 90 dagen duren, en daardoor betrouwbaarder. Maar andere wetenschappers uitten kritiek. Die kritiek was van diverse aard.

Eén bijzondere  kritiek betrof de keuze van de rat. Dit was namelijk de bij laboratoriumproeven veelgebruikte Sprague Dawley-rat. Deze rat werd voor het eerst in 1925 gekweekt en gefokt door het bedrijf Sprague Dawley. Het is een rustige, gebruiksvriendelijke rat, ideaal voor laboratorium omstandigheden. Bovendien is de gemiddelde worpgroote met ruim 10 ratten ‘ukkies’ groot en worden ze iets ouder dan andere ratten. Maar er zijn bij de Sprague-Dawley ook meer ratten die spontaan kanker ontwikkelen en dat maakte ze in de ogen van sommige wetenschappers niet geschikt voor dit onderzoek.

Toen ik voor het eerst las over het onderzoek, tussentijds werden al enkele berichten gepubliceerd, moest ik af en toe aan Stapel denken. Dat heb ik tegenwoordig vaker bij wetenschappelijk onderzoek. Stapel was voor mij de convergent van ervaringen die ik opdeed met wetenschappers (waarmee ik dan natuurlijk de vorsers bedoel, de onderzoekers). Zeker de helft van de wetenschappers die ik ken zijn in mijn ogen te gericht op één klein facet van het leven en staan nauwelijks open, en hebben zeker geen kennis van, de rest. Met andere woorden, ze zijn wereldvreemd. Hun enige interesse is hun onderzoek. Dat kan niet goed zijn voor een onderzoek, denk ik.

Ik ben er daarbij van overtuigd dat ze, net als wij allemaal overigens, altijd het bewijs vinden van datgene dat ze zoeken. Die laatste overtuiging kreeg ik in 1981 na het lezen van ‘De Naakte Ziel‘ van Hans Eysenck. En die werd daarna alleen maar bevestigd. Zo ook in het volgen van de reacties op het bovengenoemde onderzoek naar de gen-mais, waarvan de eindpublicatie verscheen in het vakblad Food and Chemical Toxicology van Elsevier. Ook daarbij lijkt het resultaat al te zijn gevormd bij het komen tot de probleemstelling van het onderzoek.

Daar tegenover lijken de wetenschappers die kritiek hebben juist van de andere ‘parochie’, wellicht omdat hun onderzoek wordt betaald door biobedrijven die baat hebben bij gen-mais. Het is helaas een gedachte die in deze tijd steeds vaker bij me opkomt, na alle zelfverrijking, malversaties en naar buiten gekomen gevallen van corruptie, al dan niet in de wetenschappelijke wereld.

Marketing

Rond mijn twintigste deed ik vakantiewerk bij de antroposofische voedingsproducent Akwarius in Almere. De broer van een schoolvriend was er directeur. Naast kennisname van de boeken en lezingen van Rudolf Steiner en contact met antroposofen, sprak ik daar een toeleverancier. Deze gezette man met zijn rode alcohol hoofd was zelf duidelijk geen aanhanger van de biologisch-dynamische voedingsleer. En hij zag ongetwijfeld dat ik wellicht wel geïnteresseerd was kennis te nemen van de mij in de schoot geworpen nieuwe informatie, maar dat ook ik geen discipel was, toen hij zei: ‘René dat biologisch dynamische is vast heel goed en gezond, maar het is vooral goed voor mijn portemonee. Vroeger moest ik het nat van groenten afvoeren en daarbij maakte ik kosten. En nu gaat het in een flesje en wordt ik meer dan goed betaald voor de wortel- , bieten- en andere sappen. Van afvalproduct naar wondermiddel. Geweldig toch?”

Ik moest er aan denken toen ik onlangs weer in Amerika was. Een eerdere keer was ik al eens door een doolhof gelopen gemaakt van maisstengels. Het hotelletje waar ik nu verbleef lag op een krappe kilometer van een maisboerderij. Daar zag ik ‘s ochtends bij het wegrijden naar een toeristische attractie een bord bij de rand van de weg staan ‘Corn Stalks $ 5.99’. En daarachter lagen maisstengels, hoog opgestapeld. Onderweg vroeg ik me af wie daar geïnteresseerd kon zijn. Toen ik terugkwam was de stapel weg.

De maisstengels deden me dus terugdenken aan de Bietensapboer, zoals ik de leverancier was gaan noemen. Na Akwarius had ik diverse studies afgerond en ik wist inmiddels dat wat hem was overkomen in de marketing ‘winstmaximalisatie’ wordt genoemd. De maisboer was er ook een mooi voorbeeld van, realisseerde ik me. Eerst maakte hij er tijdens of vlak voor de oogst een doolhof van voor toeristen en kinderen uit de buurt. Na de oogst verkocht hij zijn mais, hield wat achter voor zijn veestapel en ook een paar om het volgende jaar weer mee verder te telen. En tenslotte verkocht hij het afvalproduct, de maisstengels, als … ja als wat. Ik weet het niet, maar het zette me wel aan het denken.

Want nu iedereen, maar vooral ondernemers, het moeilijk hebben is de creativiteit om tot winstmaximalisatie te komen belangrijker dan ooit. En voor wie winstmaximalisatie een vies woord is gaan vinden, te veel voortkomend uit het kapitalisme en afgelopen tijd van gouden bergen, mag ook lezen ‘creativiteit om meer met of rond een product te doen’.

Nu deed ik dat altijd al. In de ogen van sommige klanten tot vervelends toe, haha. Het is er bij mij een beetje ingesleten. Niet alleen vanwege, wat ik nu dan maar noem het maisstengels-principe, het creatief denken en puzzelen. Dat immers een leuke bezigheid om tot meer mogelijkheden te komen. Maar ook omdat ik heb ervaren dat het belangrijk is veel  ideeën te hebben rondom een probleem/onderwerp. Vaak zeg ik dat ook tegen klanten, ‘je moet groot denken, tot in het onmogelijke’. Bij de uitvoering komen er namelijk allemaal partijen mogelijkheden van jou afsnoepen. De ambtenaar die wil dat je een vergunning hebt, de concurrent die veel verder is, het ingerediënt dat je niet geleverd kunt krijgen enzovoort. Als je te weinig hebt, te klein begint heb je dan te weinig over om verder te kunnen.

Dus kun je beter groot beginnen, dan blijft er tenminste voldoende over om mee verder te kunnen. En, in deze crisistijd, te overleven.

Print deze pagina
Bovenstaand bericht is geschreven op 20 oktober 2012 door in de categorie 2012, Algemeen

Vorige en volgende berichten

« Ouder: Nieuwer: »

Een willekeurig bericht

Ik schrijf op deze site over allerlei onderwerpen. Soms is het heel persoonlijk, soms vooral informatief of beschouwend. Hieronder een willekeurig bericht uit ruim 2000 berichten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code