Dood geld (1)

Gisteren kwam mijn dood geld idee weer eens ter sprake. Een vriend was bij een VVE geweest waar problemen waren. Uit de schets die hij gaf van zijn bevindingen begreep ik dat er weinig is veranderd.

Laat ik beginnen met het idee.

In 1995 registreerde ik onderstaand idee bij de afd. Successierechten van de Belastingdienst:

Dood geld

… of de organisatie voor (financiële) dienstverlening

Achterliggende idee is de grote som ‘dood geld’ van verenigingen en stichtingen (denk aan sportclubs, goede doelen, verenigingen van eigenaren, schoolstichtingen e.d.). Zij houden geld in reserve voor onvoorziene uitgaven. Doorgaans gaat het om onnodig hoge bedragen, die daarbij ook dikwijls tegen lage rentes worden geparkeerd op een courante rekening. Aan beleggen wordt vaak niet gedacht of het wordt als te risicovol ervaren; toch wordt het geld vaak voor middellange tot extreem lange tijd niet aangesproken.

De bedoelde organisatie kan een bestaande onderneming of op te richten dochteronderneming zijn. Ze gaat een nationaal fonds vormen waarin de aangesloten verenigingen (per doelgroep, bijv. sportclubs) hun reservegeld storten. Omdat het totaal beheerde geldbedrag een grote som geld is, kunnen gunstige afspraken worden gemaakt met financiële instellingen, kan een deel worden belegd etc.

Indien nodig kan een deel van het geld apart worden gehouden voor de deelnemers die inderdaad hun `noodpot’ moeten aanspreken. Hoeveel geld apart gehouden moet worden kan met kansberekening op dezelfde wijze worden berekend als verzekeringmaatschappen schades, sterfgevallen e.d. voorspellen.

Een andere mogelijke doelgroep zou kunnen werken met de rente op hun kapitaal. Daarbij wordt de rente gebruikt ter subsidiëring van bijv. kunstprojecten, zoals ook bijv. de Nobelprijs wordt uitgekeerd uit rente. Als doelgroepen kan worden gedacht aan goede doelen, kunststichtingen en fondsen.

Als de organisatie eenmaal bestaat kan worden gekeken naar extra voordelen voor de deelnemers. Aan bijvoorbeeld sportverenigingen kunnen, naast het directe financiële voordeel, collectieve ongevallenverzekeringen, sportsoftware (ledenadministratie, toernooiorganisatie e.d.) en dergelijke worden aangeboden. Wellicht dat ook voordelige prijzen zijn te bedingen voor de aanschaf van allerhande sportartikelen die ze nu individueel kopen (bijv. voetbalclub: voetballen, doelnetten, krijtwagens etc.).

Door een terugtredende overheid, bestuursaansprakelijkheid en andere factoren hebben sportclubs en andere verenigingen steeds vaker financiële- en managementproblemen. De organisatie kan hier een adviserende taak hebben.

Samenwerking met organisatie en managementadviesbureaus dan gewenst zijn. Verder in de toekomst liggen andere mogelijkheden open, bijvoorbeeld advisering bij sponsoring van de sport, actieve sponsoring door donateurs/sponsors van de stichting en dergelijke. De organisatie kan zelf bepalen of ze samenwerkt met derden of derden toelaten als partij (bijv. voor productenverkoop).

En toen…

Ik had voor de registratie in 1995 van ‘dood geld’ al contact gehad met enkele relaties bij sportclubs en banken. Dat was vooral bedoeld om te peilen of het idee goed was en informatie te verkrijgen rondom het idee, zonder het idee zelf al naar buiten te brengen.

Na de registratie ging ik serieus praten met enkele partijen. Op het hoofdkantoor van de Rabobank vonden ze het een interessant idee. Maar op dat moment, vertelden ze, hadden ze te veel geld. Dat is een probleem voor een bank, want dat moet worden ‘weggezet’. Nog meer geld, daar zaten ze niet op te wachten. Het was een probleem bij meerdere banken. Alleen Van Lanschot had op dat moment kapitaalbehoefte, vertelden ze.

Bij de NOC/NSF waren ze enthousiast. Ze kenden het probleem en wisten ook dat steeds meer verenigingen het moeilijk kregen. Het dood geld idee leek een goede oplossing. Ze boden minstens een extra procent rente naast de rente die een bank op het kapitaal zou geven. Daarbij gaven ze het advies het idee anders te noemen.

Ook liep ik direct tegen het eerste zwakke punt in mijn marketingstrategie. Ik ging er van uit dat penningmeesters blij zouden zijn met alleen al de extra rente-inkomsten. Zij waren een belangrijk aanspreekpunt bij de introductie, dacht ik. Dat bleek een illusie. Ze zaten er niet op te wachten. Op de vraag ‘waarom niet’ kwam nauwelijks antwoord. Ik begreep het niet. Mensen uit de financiële sector hielpen me uit droom. Veel penningmeesters, vertelden zij, zetten het geld van de vereniging op een courante rekening bij een plaatselijke bank, bij een bevriende bankrelatie, en pakken zo wat provisie, een cadeautje of een procentje voor zichzelf. Ik kon het niet geloven. Maar helaas…

Wat wel weer leuk was bij mijn rondgang was het inzicht in liggend geld (dood geld). Er bleken talrijke bekende en onbekende organisaties te zijn, vereningen en stichtingen, met gigantische kapitalen, reserves en dergelijke. Allemaal noemden ze het anders afhankelijk van de wijze waarop het kapitaal was verkregen, het beleid erover of de aard van de organisatie. Maar in alle gevallen waren het bijzondere voorbeelden van dood geld. Soms kreeg ik het bewijs te zien, soms bleef het bij het verhaal. Alle voorbeelden waren vergelijkbaar met de later in de openbaarheid gekomen vragen rond SIDN en NGF. Twee organisaties die geld krijgen voor een dienst waar in ieder geval in de eerste jaren van hun bestaan nauwelijks kosten tegenover stonden, waardoor het kapitaal groeide.

Project gedragsregels

Ooit had ik met Jan Lankhaar enkele zeer bruikbare gedragsregels opgesteld voor projecten. Regels die hij daarna ging toepassen in zijn bedrijf DataShare en die ik later bij twee uitgeverijen introduceerde. Maar ook zelf vaak hanteerde bij projecten die ik naast mijn gangbare werkzaamheden oppakte. Eenvoudigweg kwam het er op neer dat je voor elk project zoals het dood geld idee een tijdspad maakt met ankerpunten en een budget vaststelt, eventueel op onderdelen die aansluiten met de ankerpunten. De regel is dat geen van beiden wordt overschreden; bij overschreiding wordt het project gestopt.

Er zit vanzelfsprekend een theorie en praktische ervaring achter. Maar die is nu niet belangrijk. Ik had mezelf voor de eerste fase tijd gegeven en een budget. Mijn tijd was gebruikt en/of de vrijgemaakte guldens opgemaakt.

Klaar met het ‘dood geld idee’ op naar het volgende idee/project.

Print deze pagina
Bovenstaand bericht is geschreven op 25 januari 2013 door in de categorie 2013, Algemeen, Ideeën

Vorige en volgende berichten

« Ouder: Nieuwer: »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

code




Een willekeurig bericht

Ik schrijf op deze site over allerlei onderwerpen. Soms is het heel persoonlijk, soms vooral informatief of beschouwend. Hieronder een willekeurig bericht uit ruim 1500 berichten.