Subsidie en hoe de Duitsers daarover denken

Vanmorgen stond in de krant dat Henk Krol ruim 200.000 euro subsidie heeft gekregen voor het opzetten van een online dienst voor homoseksuele jongeren. Met daarbij een toezegging voor meer subsidie. Nadat ik het verhaal heb gelezen, beschouw ik het als het zoveelste voorbeeld van de trieste wijze waarop in Nederland met gemeenschapsgeld wordt omgegaan.

Niet vanwege de homoseksuele jongeren, maar vanwege de hoogte van het subsidiebedrag. En niet vanwege de persoon Henk Krol, maar vanwege de positie die hij heeft. Zulke uitspraken vragen natuurlijk om uitleg. Maar dat past hier niet. Wel komt een deel van de uitleg naar voren in het onderstaande.

Subsidie-ervaring

Mijn eerste ervaring met subsidie en overige financiële steun kreeg ik jaren geleden bij het aanvragen van geld bij het Filmfonds en het Ministerie van Economische Zaken. Bij de eerste liep ik, met mijn partners, tegen de nukken aan van Jan Blokker. De toenmalig voorzitter van het Filmfonds stond er om bekend dat hij zijn vriendjes bevoordeelde. Als we dat al niet wilden geloven moesten we dat wel toen hij het ons onomstotelijk vertelde.

Bij het Ministerie was de papierwinkel zo omvangrijk dat we eerst nog dachten dat het aan onze eigen onkundigheid lag dat we afwijzingen kregen. De reden voor de eindeloze formulieren was, toen ik er naar vroeg, dat zorgvuldig moest worden omgegaan met gemeenschapsgeld. Navraag in de loop van de tijd bij vele ondernemers leerde me echter dat de omvangrijkheid en vaagheid van aanvraagwijze vooral de argumenten geeft om een afwijzing te formuleren. Door de frustratie en de tijd die gaat zitten in het aanvragen zijn veel MKB’er niet of nauwelijks meer geïnteresseerd in subsidie.

Intermezzo

Gisteren sprak ik een klant die te maken heeft met twee wetenschappers die willen ondernemen. Maar ze lopen continue tegen problemen aan omdat ze de praktijk van zakendoen en ondernemen niet kennen. Ze leren het wel, niemand is immers geboren als ondernemer, maar het vereist wel een hele andere denk- en doenwijze. Bij subsidies ontkom je niet aan de indruk dat ambtenaren en ondernemers in twee totaal verschillende werelden leven.

Subsidie en de Duitsers

Door de jaren heen heb ik op verschillende manieren ervaringen opgedaan met en rondom subsidie. Niet alleen in Nederland, maar ook beperkter natuurlijk in het buitenland. Eind vorig jaar had ik enkele gesprekken met de directeur van een grote Duitse semi-overheidsorganisatie. Een organisatie die enigszins is te vergelijken met SenterNovem. Maar daarmee doe ik de Duitse organisatie te kort.

De betreffende organisatie is opgezet, eigenlijk ontstaan, vanuit het Duitse Ministerie van Economische Zaken. Ze hielden zich oorspronkelijk bezig met subsidies, maar helpen nu bij algehele financiering. Onder allerlei voorwaarden natuurlijk. Wat dat betreft is er geen verschil met Nederland. Maar de invalshoek is anders, zo bleek al snel.

Nederlands subsidiebeleid

Maar laat ik eerst de steekwoorden geven waarmee ik het Nederlandse subsidieland omschrijf:

  • willekeur – als je op de juiste feestjes komt krijg je makkelijker subsidie
  • formaliteiten – omvangrijke en vaak onzinnige aanvraagprocedure
  • potjes – er wordt vaak een bepaald bedrag beschikbaar gesteld en op = op
  • controle – nauwelijks en/of gebrekkige controle
  • niet stapelen – veel subsidies krijg je niet als je ook andere subsidie(s) krijgt
  • subsidiespecialisten – veel subsidiologen overzien slechts een klein deel van de subsidiemarkt
  • fiscaal – veel subsidies zijn in de vorm van aftrekposten, daar heb je als je (nog) geen winst maakt niets aan

Intermezzo

Wellicht goed om te melden dat ik, los van bovengenoemde steekwoorden, geen voorstander ben van subsidie. In ieder geval niet van de structurele subsidie die aan veel non-profit organisaties wordt gegeven. Ze worden er lui van. Het was mede daarom wel een openbaring toen ik een subsidie aanvroeg voor digitalisering van mijn archief. De reactie van de medewerker van SenterNovem was enthousiast. ‘Hè eindelijk weer eens een particuliere organisatie, in plaats van zo’n museum dat aan elkaar hangt van subsidies’. (zie ook een eerder bericht)

De Duitse wijze

De directeur van de Duitse organisatie, ik zal hem voor het gemak Dieter noemen, bevestigde mijn enigszins gegeneraliseerde uitspraken over subsidie in Nederland. Uitspraken die grotendeels zijn gebaseerd op bovengenoemde steekwoorden. Ik doe ze in de praktijk iets, met de nadruk op iets, genuanceerder.

Dieter formuleerde zijn visie op Nederland als subsidieland zakelijker of wellicht diplomatieker. Daarbij voegde hij er vanuit zijn internationale inzichten als voorzitter van een Europese Overlegorgaan voor subsidies, enkele punten aan toe.

Hij vertelde dat Nederland een wijze van omgaan heeft met subsidie, die sterk afwijkt van de ons omringende landen. Zelfs met hoe er wereldwijd met subsidie, eigenlijk stimuleringsgeld uit gemeenschappelijke middelen, wordt omgegaan. Mijn steekwoorden bevestigde hij, zoals gezegd, maar hij vertelde erbij dat sommige vormen, wellicht anders ingevuld, ook in andere landen voor komen.

Nederland en de omgeving

De belangrijkste verschillen tussen Nederland en andere landen zijn volgens hem, dat in andere landen:

  • subsidie (gemeenschapsgeld ter stimulering) wordt gezien als aanjager van iets dat uiteindelijk niet alleen de aanvrager, maar de gehele maatschappij ten goede komt
  • wordt samengewerkt met de aanvrager
  • vanuit de plannen van de aanvrager wordt gekeken naar invulling, uitwerking en aanvraag
  • meer controle en/of begeleiding wordt gegeven gedurende de gehele subsidieperiode

Kapitaalvernietiging

“Waarom denk je dat wij dat doen in Duitsland”, vroeg hij me.

Ik hoopte dat het een retorische vraag was waarop ik geen antwoord hoefde te geven. Het bleef even stil.
Toen zei hij: ‘Als je subsidie geeft gebruik je gemeenschapsgeld. Dat is niet bedoeld om één persoon of bedrijf gelukkig te maken. Uiteindelijk is het de bedoeling dat de maatschappij er iets aan heeft. De voordelen voor de maatschappij kunnen divers zijn, maar ze zijn wel uitgangspunt.

Je geeft dus geld uit van de belastingbetaler. Om te voorkomen dat je kapitaal vernietigt, werk je nauw samen met de aanvrager om te zorgen dat hij/zij zijn plannen kan verwezenlijken. Daarom zorg je dat zijn totale financiële plaatje klopt. Het is één van de redenen dat je in Duitsland subsidies mag stapelen. Daarom vraag je niet alleen een rapportage aan het eind van de subsidieperiode, om er dan achter te komen dat het niet is gelukt en er geld over de balk is gegooid, maar houd je continue een vinger aan de pols’.

De informatie, argumenten en dergelijke die Dieter me gaf gingen veel verder dan bovenstaand. Vanzelfsprekend geldt bovenstaande niet voor alle subsidies en dan ook niet voor de handelswijze in Nederland.

‘Dieter’, zei ik toen hij klaar leek met zijn betoog, ‘wat moet ik doen om van het Duitse systeem gebruik te kunnen maken?’.

Zijn antwoord houd ik voor mezelf. Wie geïnteresseerd is mag me bellen.

Print deze pagina
Bovenstaand bericht is geschreven op 27 maart 2013 door in de categorie 2013, Algemeen

Een willekeurig bericht

Ik schrijf op deze site over allerlei onderwerpen. Soms is het heel persoonlijk, soms vooral informatief of beschouwend. Hieronder een willekeurig bericht uit ruim 2000 berichten.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *