- René van Maarsseveen - https://renevanmaarsseveen.nl -

D t of dt bij werkwoorden

D t of dt bij werkwoorden

‘Ik weet nooit of het d t of dt is’, zegt Kees, ‘ik moet er in ieder geval altijd flink bij nadenken’.

We hebben het over taal en taalergernissen. ‘Goed basisonderwijs is juist bij spelling heel belangrijk heb ik weleens gemerkt’, reageer ik, ‘ik had ooit een vriendin die net iets beter spellingles had gehad dan ik. Ze heeft me een keer mijn spellingpijnpunt uitgelegd, maar op dat punt heb ik nog steeds een handicap’.

‘Wat is dat dan?’, vraagt Kees.

‘Het heeft met voltooid deelwoorden te maken in bepaalde zinnen’, antwoord ik. ‘Ik weet zo snel geen voorbeeld. Het zijn die zinnen waar je het persoonlijk voornaamwoord erbij moet denken. Misschien kom ik er zo dadelijk op’.

‘Van die regels over dt, d en t weet ik dat het eenvoudig is, maar toch blijft het voor mij lastig. Het heeft toch ook iets te maken met dat Kofschip en een smurf’.

‘Klopt. Die smurfenregel vind ik een beetje onzin, maar het werkt wel. En let op, het is HET Kofschip. Dat is gewoon een handig ezelsbruggetje’.

D t of dt

Met d t of dt zijn er volgens mij slechts drie problemensituaties: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord.

Tegenwoordige tijd

Bij tegenwoordige tijd is het vervoegen van een werkwoorden: ik + stam, jij + stam + t, hij + stam + t. De stam is het hele werkwoord zonder -en, dus bij vissen is de stam vis.

Het probleem ligt bij werkwoorden waarvan de stam op een d of t eindigt. Dus werkwoorden als worden (de stam is word) en spitten (de stam is spit).

Voor het gemak kun je eerst een ander werkwoord nemen, bijvoorbeeld vissen, werken of smurfen.

Het is: ik vis, jij vist en hij vist. Dus ook ik word, jij wordt en hij wordt.

Dubbele D of T wordt echter niet gedaan, dus het is: ik spit, jij spit en hij spit in zijn tuin.

Addertje

Bij jij zit er een addertje onder de d t of dt. Want je zegt ‘je vist’, maar ‘vis je vanavond’. Daar is direct de oplossing, want evenzo is het ‘word je’ (zonder t). Maar ‘iets houdt je tegen’. Iets is hier het onderwerp en niet je. Zet er een ander werkwoord voor in de plaats en je hoort de t, ‘iets werkt je tegen’.

Verleden tijd

Hier ligt het probleem weer bij werkwoorden waarvan de stam op een d of t eindigt. Bij verleden tijd eindigen de jij- en hij-vorm op stam + de of stam + te

Evenals bij de tegenwoordige tijd kun je altijd kijken hoe het bij andere werkwoorden gaat. Dus bijv. jij viste, hij viste, jij kromde, hij kromde zijn tenen.

Daaruit volgt jij meldde en hij meldde en jij spitte en hij spitte

Voltooid deelwoord

Dt, d of t bij het voltooid deelwoord is slechts de vraag naar d of t aan het eind. Hier komt HET KOFSCHIP om de hoek kijken of het fokschaap.

Het gaat weer om de stam van het werkwoord. Eindigt dit op een letter uit HeT KoFSCHiP (dus T, K, F, S, CH of P) dan krijgt het voltooid deelwoord een t. In alle andere gevallen en d of een andere vorm.

De stam van vissen is vis. Dat eindigt op een S. De S staat het kofschip dus is het gevist. De stam van bellen is bel. Dat eindigt op L. De L staat niet in het kofschip dus gebeld.

Let op. Sommige werkwoorden hebben een s-klank of s in de ik-vorm, maar we hanteren ze als een Z bij het kofschip. De stam van vergrijzen is vergrijs, maar we beschouwen het als vergrijzen zonder en, vergrijz. De Z staat niet in het kofschip, dus vergrijsd.

Smurfenregel

De smurfenregel betekent slechts dat je smurfen en smurf als vervangwoord gebruikt, waar we hierboven bijvoorbeeld vissen gebruikte. ‘Iets smurft je tegen’, smurf je mee’, ‘je smurft al de hele dag’, smurft je vrouw ook?’ etc.

Meer informatie: